Comité tot behoud van de
Nederlandse Hervormde Kerk

Een verklaring voor recht aanvragen?

Er bestaat veel weerstand tegen het aanvragen van een verklaring voor recht bij de burgerlijke rechter. Hierbij enige overwegingen om alles in het juiste licht te plaatsen.


1. Ten eerste moeten enkele misverstanden uit de weg worden geruimd. Er bestaat de gedachte dat dit inhoudt dat de gemeenten die een dergelijke verklaring aanvragen de landelijke kerk dagvaarden om goederen op te eisen. Dit is niet het geval. Een gemeente hoeft geen goederen op te eisen die haar eigendom zijn. Het eigendomsrecht van de goederen berust namelijk niet bij de landelijke kerk, maar bij de gemeente.
De verklaring voor recht is een vraag aan de rechter over
tegenstrijdige uitspraken. De kerk verklaart in het rapport 'om de eenheid en heelheid der kerk' dat een kerkenraad niet het recht heeft om het fusiebesluit op basis van de voorgestelde kerkorde te toetsen en daar "neen" tegen te zeggen.
Daartegenover staan vier uitspraken van de burgerlijke rechter dat een gemeente zich aan het hervormde kerkrecht dient te houden "zolang de gemeente ervoor kiest" om van deze landelijke kerk deel uit te maken.
Hierin ligt de suggestie opgesloten dat een gemeente niet slechts een onderdeel is van een groot landelijk geheel, maar ook een eigen persoonlijkheid heeft. Dit zijn al vragen binnen de Ned. Herv. Kerk.
De situatie waarin we thans terecht komen, gaat nog veel verder. Immers, een gemeente scheidt zich niet af van de landelijke kerk, maar de landelijke kerk fuseert bovenplaatselijk. Er ontstaat juridisch een nieuwe kerk, met nieuwe belijdenissen en een nieuwe kerkorde. De Ned.
Herv. Kerk houdt op en er ontstaat een nieuwe kerk die PKN heet. De thans bestaande eenheid op basis van de grondslag van de drie formulieren van eenheid wordt doorbroken. Terwijl de synode eist dat dit door ieder wordt gerespecteerd. Wie omwille van het geweten niet mee kan, mag zijn ambtelijke verantwoordelijkheid niet uitoefenen in degemeente waar hij zich door God geroepen weet om de kudde te weiden. Hier ontstaat een enorm probleem. Onze eigen geloofsbelijdenis spreekt uit dat gewetens niet gebonden mogen worden (art. 32 NGB). Ook in de rechtsspraak wordt gewetensdwang afgewezen.
De vraag die bij de verklaring voor recht centraal staat, is deze: Mag de landelijke kerk heersen over het geweten van ambtsdragers? Wat is eigenlijk recht?


2. De verklaring voor recht is dus geboren naar aanleiding van het rapport 'om de eenheid en heelheid der kerk.' De synode verklaart daarin dat een kerkenraadsbesluit om "neen" tegen de PKN te zeggen ongeldig is. Dit heeft als consequentie dat men niet ambtelijk "neen" kan zeggen tegen de PKN, alleen persoonlijk. Wie in geweten de PKN niet binnen kan gaan, rest dan ook niets anders dan het ambt neer te leggen en het lidmaatschap op te vragen. De gemeenten die een verklaring voor recht aanvragen zien hiermee de ambtelijke verantwoordelijkheid voor het geheel van de gemeente in gevaar komen. Als het om hun persoonlijk belang ging, wilden zij best alle belangen opgeven. Maar nu weten zij zich door God geroepen over de kudde die aan hun zorgen is toevertrouwd. Ze ervaren het neerleggen van het ambt en vervolgens het persoonlijk bedanken voor het lidmaatschap als het vluchten van een huurling die geen zorg oefent over de kudde. Deze kerkenraden menen dat ze de kudde niet binnen de PKN mogen laten leiden. Omdat zij zich door het rapport in hun ambtelijke verantwoordelijkheid bedreigd zien, menen ze dat ze het uiterste moeten doen om deze dreiging te keren. Binnen de kerk bestaan geen beroepsmogelijkheden meer. Ze stonden toen voor de vraag of zij naar de burgerlijke rechter moesten gaan. Ze menen dat het hun roeping is om al het mogelijke te doen om de kudde te beschermen tegen de besluiten van de synode waarvan zij menen dat deze in het licht van Gods Woord niet verantwoord zijn.

3. De kerkenraden die een verklaring voor recht aanvragen, hebben dat niet klakkeloos gedaan en ze doen het niet zonder schroom. Ze hebben zich ernstig bezonnen op de betekenis van 1 Korinthe 6:1: "Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te rechte gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?" Deze tekst maakt duidelijk
dat christenen elkaar niet voor de rechtbank behoren te ontmoeten. Het is niet tot eer van God. Dit is de grootste abnormaliteit. Daar komt volgens de kanttekeningen bij dat de rechters waarbij men rechtszaken zou willen behandelen heidens waren en vaak onderdrukkers van de christenen. Moet een heiden dan oordelen onder christenen? Vreselijk!

4. De kerkenraden hebben alle kerkelijke mogelijkheden gebruikt om hun bezwaren tegen de gewetensdwang en de eigen ambtelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad kenbaar te maken. De bezwaren van de kerkenraden zijn nietig verklaard. Dan blijft alleen het burgerlijke recht nog over. Bovendien is de burgerlijke rechter degene die over de juridische aangelegenheden van fuserende rechtspersonen en het ophouden van kerkelijke rechtspersonen het beste kan oordelen.
De kerkenraden huiveren bij het gaan naar de rechter. Ze zouden het niet doen als ze niet zouden menen dat het hun roeping was om het uiterste te doen om de aan hun ambtelijke zorg toevertrouwde kudde te beschermen tegen het ingrijpende fusiebesluit. Ze menen dat 1 Korinthe 6:1 aangeeft dat de gang naar een rechter in kerkelijke zaken abnormaal is, maar tevens dat 1 Korinthe 6:1 niet absoluut moet worden uitgelegd. We zien een parallel in de tekst: "Zweert ganselijk niet" (Matth. 5:34). De catechismus (zondag 37) maakt ons duidelijk dat we dit woord niet dopers moeten uitleggen. De tekstverwijzingen maken duidelijk dat ook in de tijd van het Nieuwe Testament de eedzwering in gebruik was.

5. We zien een parallel in de geschiedenis. Onze kerk en ons land zijn ontstaan vanuit het verzet tegen Philips II. De koning van Spanje schond de rechten en de privileges in ons land. Luther en Calvijn, Willem en Maurits van Oranje meenden dat men zich tegen dit onrecht mocht en moest verzetten. Als men dat niet had gedaan, waren we nu nog rooms.
We mogen toch verwachten dat de kerk haar eigen geloofsbelijdenis serieus neemt. Art. 7 en art. 32 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis geven aan dat er men de gewetens nooit kan binden aan zaken die tegen Gods Woord ingaan. Kerkenraden hebben een eigen verantwoordelijkheid om alleen te aanvaarden wat de "eendachtigheid en eenheid" voedt en
bewaart. De synode heeft geen onbegrensd gezag. De synode dient te handelen in het kader van de grondslagen van de kerk. Wanneer de synode de band met de grondslag verbreekt, kan dit ambtelijke gezag niet worden erkend.
Bovendien mogen we ook verwachten dat de kerk haar eigen kerkorde handhaaft. In art. V van de kerkorde van de Ned. Herv. Kerk wordt verklaard dat de ene gemeente niet over de andere gemeente kan heersen en het ene ambt niet over (het geweten van) het andere ambt mag heersen.


6. De kanttekeningen merken in noot 13 bij 1 Korinthe 6:1 op: "De apostel verbiedt hier dan niet ganschelijk dat men voor overheden zou rechten, maar alleen voor ongeloovigen met ergernis en aanstoot; gelijk hij ook niet verbiedt, wanneer iemand van anderen verdrukt wordt, of voor het recht geroepen, dat hij zichzelven door de hulp der ongeloovige
overheden zou mogen beschermen. Want hij zelf heeft in zulke gevallen ook op ongeloovige overheden zich beroepen en hunne hulp gebruikt, niet alleen tegen heidenen, maar ook tegen de Joden. Zie Hand. 22:25, en 23:17, en 25:10."

7. In Handelingen 25:10 lezen we dat Paulus zich beroept op de keizer. Hieronder volgt een citaat van Calvijn in zijn uitleg bij deze tekst: "Omdat Paulus bemerkt dat hij door de eerzucht van de landvoogd aan de Joden overgeleverd was, maakt hij gebruik van zijn Romeinsch burgerrecht. Hij zou zich bescheidenlijk onderworpen hebben, indien men
iets billijks of rechtvaardigs van hem geëischt had. Maar nu de rechter eigener beweging zijn plicht niet volbrengt, dwingt de noodzakelijkheid van den heiligen man, om zich onder bescherming van de wet te stellen. En op deze wijze verlost de Heere hem andermaal, daar hij reeds aan zijne vijanden ter dooding was toegewezen. Dat hij evenwel eischt om
voor den rechterstoel van den keizer geoordeeld te worden, daardoor onderwerpt hij de leer van het Evangelie niet aan het oordeel van een ongeloovig en goddeloos mensch, maar hij begeeft zich naar het forum (rechtplaats te Rome) bereid om allerwege belijdenis van zijn geloof af te leggen, terwijl hij ook daar geen rechtvaardig oordeel had te verwachten. Hoewel verder den Romeinsche burgers hun recht onverkort werd gewaarborgd, was de zaak toentertijd toch reeds zeer veranderd, dewijl de keizers de rechtspraak over het volk tot zich genomen hadden, even alsof zij de beste wrekers en beschermers van de algemeene vrijheid waren. (...)
En voorzeker, de dienaren van Christus moeten zich niet minder inspannen om hunne onschuld te bewijzen, dan om hun leven te redden. (...) Hij bewijst dus, dat hij allerminst een uitvlucht zoekt door de vlucht te nemen, maar dat hij een schuilplaats tot rechte verdediging van zijne zaak begeert, waar hij het onrecht vrijelijk kon weerstaan, dewijl zijne tegenstanders hem tot dusver met loutere schandelijkheid en moedwilligheid aangevallen hadden, en nu, alle recht ontwijkend, hem in een moordhol poogden te slepen. (...)
Nadat hij het uitgesproken heeft, dat hij geenszins een uitvlucht zocht, indien hij van eenige schuld overtuigd kan worden, maakt hij vrijelijk gebruik van menschelijke hulp. Daarom moeten wij, wanneer wij in dergelijken nood geraken, niet bijgeloovig zijn, om geen hulp te zoeken bij de wet en het openbare gezag. Want er staat niet tevergeefs geschreven, dat de overheid van Godswege is verordend tot prijs van de goeden. Bovendien heeft Paulus er niet tegen op gezien om voor een ongeloovig rechter terecht te staan. Want wie in hooger beroep komt, doelt op een nieuw rechtsgeding. Wij moeten dus in gedachtenis houden, dat God, die het recht verordend heeft, den Zijnen ook toestaat om er een behoorlijk gebruik van te maken. Daarom zijn het verkeerde uitleggers, die meenen dat de Corinthiërs juist hierom door Paulus veroordeeld worden, omdat zij ter verdediging van hun recht de hulp der overheid inriepen, dewijl hij hen wegens deze klaarblijkelijke zonde berispt, dat zij volstrekt geen schade wilden lijden, en al te zeer belust waren op twistingen, zoodat zij het Evangelie aan velerlei kwaad bloot stelden."

Enkele overwegingen:
a. Calvijn keurt het af als mensen geen schade willen lijden of uit twistziekte en betweterigheid rechtzaken voeren.
b. Volgens Calvijn gaat het Paulus in zijn beroep op de keizer niet om zijn persoonlijke belang. Paulus beroept zich niet om zijn leven op de keizer, maar om het recht. Als het om het persoonlijke belang van zijn leven gaat, wil hij dat zelfs wel geven voor het evangelie. Paulus zoekt geen lijfsbehoud, maar erkenning van het Goddelijke recht.
c. Paulus beroept zich op het recht, terwijl hij weet dat het recht ook krom is. Hij stelt zijn verwachting niet op prinsen of op rechtsspraak, maar op de Heere alleen. Hij acht het zijn roeping om in deze situatie het door God gegeven instituut rekenschap te laten geven.

8. In Calvijns Institutie wordt het voorgaande bevestigd: "Dit moeten zulke mensen dus weten, dat de rechtspraak wettig is, wanneer men haar op rechte wijze gebruikt, en dat het rechte gebruik van dde eiser om aan te klagen en van de beschuldigde om zich te verdedigen dit is, dat de beschuldigde wanneer hij gedagvaard is, op de bepaalde dag voor de
rechtbank verschijnt, en met de verontschuldigingen, die hij aan kan voeren, zijn zaak verdedigt zonder bitterheid, maar slechts met deze gezindheid, dat hij het zijne door het recht wil bescherme; en dat de eiser, wanneer hij onrechtmatig in zijn leven of in zijn bezittingen aangetast is, zich stelt onder bescherming der overheid, zijn klacht uiteenzet en eist hetgeen billijk en goed is, maar geheel zonder enige lust om te schaden of zich te wreken, zonder bitterheid en haat en
zonder twistgierigheid, ja liever bereid om van zijn recht afstand te doen en alles liever te lijden, dan door een vijandige gezindheid jegens zijn tegenstander gedreven te worden" (Institutie IV,XX,18).

9. Ds. G. Boer schreef in 1968 aangaande een andere kwestie in de Waarheidsvriend: "Eenmaal sprak een onderdaan van de Pruisische koning, die onrecht wilde doen tegen deze onderdaan: Er zijn gelukkig nog rechters in Berlijn. Dat was fier van deze man en een compliment aan de onafhankelijke rechters in Berlijn. Zo mogen wij in Nederland gelukkig ook nog zeggen: Er is behalve kerkelijk recht ook nog een burgerlijk recht. De rechter bemoeit zich niet met de zaken in de kerk, maar wel met de kerkelijke goederen en handhaaft de daarover beschreven rechten en jurisprudentie." Thans gaat het niet over goederen, maar om zaken van geloof en geweten. De vraag is of gemeenten die willen blijven wat zij zijn, gedwongen kunnen worden om nieuw belijden te erkennen en te respecteren.

W. van Vlastuin





Laatst gewijzigd: vrijdag 16 januari - Geplaatst: vrijdag 16 januari
Deze site
Doel Comité
Nieuwsbrief Extranet

SOW info sites
SOW info-site
Dossier SOW

L. Konkordie
A. Confessie
Barmer Thesen

Heidelberger Cat.
NGB
Dordtse Leerr.

Overige sites
W. van Vlastuin
Reformatio